Overslaan en naar de inhoud gaan
verwerkt
Aan

Industriepolitiek was decennialang een vies woord in de Nederlandse politiek. Het stond gelijk aan de miljarden belastinggeld die de overheid blind in scheepsbouwer RSV had gestopt, terwijl het bedrijf het zonder grondige hervormingen nooit zou halen. Pas de laatste jaren voert Nederland weer voorzichtig een soort van industriepolitiek, vooral uit noodzaak voor investeringen in klimaatmaatregelen. Juist nu is het daarom belangrijk alsnog lessen te trekken uit het verleden.

Leestijd:
15 minuten
Afbeelding
Stakers van Rijn-Schelde-Verolme in 1972, Bert Verhoeff via Wikimedia Commons

‘De Tweede Kamer was vaak afwezig, onoplettend of vergeetachtig’, concludeerde het parlementaire enquêterapport uit 1984 over het beleidsdebacle rond scheepsbouwbedrijf Rijn-Schelde-Verolme (RSV).[i] Na de fusie in 1971 ging het noodlijdende concern na ruim een decennium van stagnatie en meer dan twee miljard gulden aan staatssteun op de fles. De RSV-enquêtecommissie oordeelde hard over de betrokkenen. Met name de leiding van RSV en het ministerie van Economische Zaken moesten het ontgelden, maar ook de Tweede Kamer ontkwam niet aan kritiek. Ze was ernstig tekortgeschoten in haar democratische taak de regering te controleren en bij te sturen.

Deze affaire speelde alweer ruim vier decennia geleden, maar laat goed zien waar ook vandaag de dag de schoen wringt bij het Nederlandse industriebeleid – of, breder geformuleerd, het investerings- en groeibeleid. Net zoals de enquêtecommissie destijds oordeelde over het RSV-debacle, valt er nu nog steeds een wereld te winnen wat betreft de ‘informatievoorziening, overleg en inspraak, en toezicht en controle’.[ii]

Dit essay neemt de recente geschiedenis van het Nederlandse industriebeleid onder de loep vanuit verschillende perspectieven op democratische organisatie en legitimiteit. Het biedt enkele handreikingen om na te denken over het palet aan mogelijkheden om dit beleid verder te democratiseren. Die mogelijkheden zijn er zeker, vooral omdat industriebeleid niet simpelweg een technocratische aangelegenheid van sectorale marktoptimalisatie is, maar gepaard gaat met verdelingsvraagstukken en keuzes over de prioritering van maatschappelijke doelen. 

In wat volgt zet ik eerst een analytisch kader voor democratie en legitimiteit uiteen, om vervolgens in vogelvlucht door de recente Nederlandse beleidsgeschiedenis te gaan en een diagnose te stellen van waar democratische verbeteringen mogelijk zijn en met welke afwegingen de verschillende keuzes rekening moeten houden. Mijn hoop is met deze analyse bij te dragen aan meer inzicht in de mogelijke democratisering van ons industriebeleid of, zoals uiteengezet in de introductie van dit S&D-themanummer, de ‘economische functie’ van publiek investeringsbeleid.[iii] 

Democratie en legitimiteit

Grofweg zijn er drie ideaaltypische hoofdperspectieven op (liberale) democratie te onderscheiden. Allereerst de representatieve partijdemocratie, die als een soort basislijn fungeert. Na verkiezingen vertegenwoordigen parlementariërs (en regering) de belangen en voorkeuren van diverse burgers en zetten deze om in beleid. Vervolgens evalueren kiezers dit beleid en belonen zij vertegenwoordigers waar ze tevreden over zijn en rekenen ze af met vertegenwoordigers waar ze niet tevreden over zijn. 

Ten tweede is er het pluralistische perspectief, dat democratie betrekt op maatschappelijke belangengroepen die invloed op beleidsmakers uitoefenen, maar waarbij geen enkele groep dominant is. Nauw verbonden hieraan is het neocorporatisme - een institutioneel gecentraliseerde vorm van belangenbehartiging. De leiding van vakbonden en werkgeversorganisaties onderhandelen samen, onder toeziend oog of met deelname van de overheid, over (sociaal-)economische thema’s tot er beleidsconsensus ontstaat. 

Ten derde het directe democratieperspectief, dat de rechtstreekse participatie van burgers behelst. Twee varianten hiervan zijn belangrijk: de deliberatieve en participatieve democratie. Bij de eerste is er een publieke dialoog tussen burgers die door rationeel overleg tot consensus komen. Naast het publieke debat gaat het in geïnstitutionaliseerde vorm vooral om forums als burgerberaden. De participatieve democratie gaat verder en betrekt burgers direct bij besluitvorming, zoals bij het opstellen van een begroting (participatief begroten). Referenda zitten ergens tussen deze twee varianten in, omdat behalve directe inspraak referenda ook gepaard zouden moeten gaan met publiek debat en deelname aan besluitvorming.

Deze drie typen van democratie hebben elk voor- en nadelen. Om ze gericht met elkaar te vergelijken helpt het ze langs het drieledige concept van legitimiteit te leggen van de politicologen Fritz Scharpf en Vivien Schmidt:[iv]

  • Input-legitimiteit. Dit gaat over representatie en participatie: wie wordt betrokken?
  • Throughput-legitimiteit. Dit gaat over het besluitvormingsproces: is beleid ordentelijk gemaakt en is er voldoende transparantie en rekenschap of verantwoording (accountability)?
  • Output-legitimiteit. Dit gaat over beleidskwaliteit: is beleid effectief en wiens belang dient het? 

Kort gezegd kun je de drie democratievormen als volgt benaderen op basis van legitimiteit. Representatie verzorgt inspraak, reflecteert kiezersvoorkeuren en borgt verantwoording via de stembus (input- en throughput-legitimiteit). Daarnaast kan representatie een check op de ongebreidelde volkswil zijn en competent bestuur waarborgen, hoewel de electorale prikkel politieke partijen ook kan verleiden te scoren met onverantwoordelijk kortetermijnbeleid om stemmen te winnen (output-legitimiteit). Ook is representatie wat minimalistisch omdat burgers alleen participeren door te stemmen. 

Het pluralistisch democratie-perspectief borgt een sterkere vorm van input-legitimiteit via participatie. Maar zeker in de neocorporatisme-variant schuilt het gevaar van ‘capture’, een onwenselijke overmatige invloed van private deelbelangen op de beleidsoutput. 

Directe democratievormen versterken zowel de input- als de throughput-legitimiteit door burgers rechtstreeks bij de besluitvorming te betrekken. Nadelen zijn echter een mogelijke selectiebias (input-legitimiteit) en een gebrekkige expertise van de deelnemers aan burgerberaden (al is dat te ondervangen), maar ook, zoals bij participatief begroten, het risico op financiële misallocatie (bijvoorbeeld consumptie in plaats van productie) of zelfs cliëntelisme (output-legitimiteit). 

Van RSV tot Groeifonds

Het oordeel van de RSV-enquêtecommissie was ongekend scherp. Het onder staatsdruk geformeerde RSV-concern bleek al snel na de fusie amper levensvatbaar, maar had desondanks jarenlang financiële ondersteuning gekregen zonder dat de overheid herstructurering afdoende afgedwongen had. De leiding van het concern, inclusief de ondernemingsraad, werd feitelijk beticht van wanbeleid. 

Het ministerie van Economische Zaken en de ministers waren te dicht betrokken bij de bedrijfsvoering, verzaakten het bedrijf te rationaliseren en hadden de Kamer ontoereikend geïnformeerd en zelfs misleid. De Tweede Kamer was weliswaar kritisch geweest op het regeringsbeleid maar negeerde ‘de (voor eenieder zichtbare) kloof tussen illusie en realiteit’ en ‘vroeg tegelijkertijd [telkens] om meer’ geld om werkgelegenheid te behouden, ondanks dat de overheidsinmenging en financiële steun duidelijk falende waren. Ook al werd de Kamer slecht geïnformeerd, het leek of ze zich ‘[had ontslagen] van medeverantwoordelijkheid’. Ze had de benodigde ‘informatie wel gevraagd maar nooit afgedwongen’.[v] 

Oftewel, de representatieve democratie had, via de regering, c.q. de minister van Economische Zaken, en de Kamer, niet de belangen van burgers gewaarborgd en de beleidscompetenties opgebracht waar dit model op gestoeld is. Bovendien toont de casus RSV aan dat wanneer ‘informatievoorziening, overleg en inspraak, en toezicht en controle’ (input en throughput-legitimiteit) tekortschieten er duidelijke consequenties zijn voor output-legitimiteit, namelijk miljardenverlies, werkeloosheid en een (nodeloos uitgesteld) faillissement. 

De electorale prikkel voor partijen in de Kamer speelde ongetwijfeld mee in het illusoire streven naar werkgelegenheidsbehoud. Ten slotte blijkt uit het commissierapport ook dat de neocorporatistische vormgeving van RSV grote nadelen had. De commissie-Winsemius stond aan de wieg van de perspectiefloze RSV-fusie en had de ondernemingsraad te grote medezeggenschap gegeven over de bedrijfsvoering. Dat laatste bleek vooral pregnant omdat de noodzakelijke saneringen uitgesteld of afgezwakt werden. Niet verwonderlijk, maar toch wierp het rapport terecht de vraag op ‘of het verstandig was direct betrokkenen deze medeverantwoordelijkheid te doen dragen’.[vi] Ook hier schaadt een onjuiste organisatie van throughput-legitimiteit de output-legitimiteit. 

Het RSV-debacle was niet alleen een ongekend bestuursdrama met een drievoudig zwakke legitimiteit maar heeft ook een groot effect gehad op het Nederlandse industriebeleid in de decennia die volgden. Mede omdat het journalistieke verslag van de parlementaire enquête uitmondde in een publiek spektakel,[vii] werd RSV een soort trauma voor politici en beleidsmakers. De les was: overheidssteun en directe inmenging in bedrijven, zeker bij noodlijdende bedrijven, dat nooit meer. 

Dit trauma betekende dat de Nederlandse overheid zich tot recentelijk nauwelijks met industrieel beleid zou bezighouden. Althans, niet in directe zin door rechtstreeks te interveniëren in bedrijven of sectoren met significante staatsdeelnames, publieke investeringen et cetera. Directe en selectieve interventies in bedrijven of sectoren (oftewel ‘verticaal’ industriebeleid) maakte grotendeels plaats voor indirect beleid gericht op generieke instrumenten - zoals algemene belastingvoordelen - om private innovatie te stimuleren (oftewel ‘horizontaal’ industriebeleid).[viii] Samenvallend met de internationale worteling van het neoliberalisme trok de overheid zich in de jaren tachtig steeds meer terug. 

In de decennia die volgden voerde de generieke, indirecte aanpak van voorwaardenscheppend bedrijvenbeleid de boventoon, waarbij marktinstituties verstevigd werden en deregulering versterkt werd, zij het met een groeiende aandacht voor (fiscale) innovatiestimulering in sterke of kansrijke sectoren. De WRR en de Wagner-commissies (1981, 1982) droegen met hun advies sterk bij aan deze omwenteling.[ix] Los van de vraag of dit beleid nu effectief was - al werd dat destijds betwijfeld - leek er vooral minder sprake van input-legitimiteit, wat gevolgen heeft voor welke belangen het beleid diende. Hoewel haar werk veelvuldig in het parlement en de pers besproken werd (en dus algemeen bekend zou moeten zijn) bestond de Wagner-commissie vooral uit mensen uit het (groot)bedrijfsleven en de ambtenarij, tot onvrede van de vakbonden. Ook had de Wagner-commissie grote invloed op het beroemde Wassenaar-akkoord van 1982. Met dat akkoord kwam het traditionele naoorlogse groeibeleid om werkgelegenheid en export te stimuleren via loonmatiging weer terug - nu aangevuld met arbeidsmarktflexibilisering. Oftewel: competitiviteit op basis van kosten, in plaats van op basis van productiviteit.

Hoewel het Wassenaarakkoord veelvuldig geprezen is als een positieve doorbraak van het neocorporatistische poldermodel lijkt de rol van de Wagner-commissie cruciaal geweest te zijn in de agendering van deze groeistrategie.[x] Bovendien zijn er gerede twijfels of het ‘mirakel’ van de Nederlandse groei in de jaren tachtig en negentig wel door loonmatiging en arbeidsmarktflexibilisering kwam of dat andere factoren zoals de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en de gefinancialiseerde vastgoedmarkt hiervoor doorslaggevend waren.[xi] Kortom, er zijn vragen te stellen over zowel de input- als outputlegitimiteit van dit beleid. 

Het teruggetrokken, met name faciliterende beleid gericht op marktinstituties en generieke regelingen voor innovatie hield aan tot omstreeks de regeringsperiode van Rutte III, toen een nieuwe wenteling plaatsvond. Ondanks belangrijke verschillen tussen de kabinetten-Lubbers, -Kok, -Balkenende en -Rutte I-II, zoals de rol van de kennisinfrastructuur (publiek-private-samenwerkingsverbanden voor research & development) of de mate waarin fiscaal werd ingezet op sectoraal-georiënteerde innovatie, bleef deze strategie op hoofdlijnen hetzelfde. Typische instrumenten van toen staan ook nu nog centraal. Zo was Lubbers III verantwoordelijk voor de invoering van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO, 1994) en Balkenende IV voor de Innovatiebox (2007), beide nog steeds een van de meest financieel significante instrumenten voor private research & development. 

Los van beleidsdetails, nu de democratie. Inputlegitimiteit werd vooral indirect via parlementaire vertegenwoordiging gerealiseerd. Sinds de jaren negentig was er steeds minder publieke aandacht voor industriebeleid, het postmaterialisme beleefde immers zijn hoogtepunt. De privatisering van de weinige staatsondernemingen die Nederland kende, waren ten dele wel controversieel, maar de meerderheid, inclusief de Derde Weg-aanhangers zonder ideologische veren, stond een neoliberaal beleid voor. 

Men sprak expliciet niet meer van industriebeleid maar van innovatiebeleid. Neocorporatistische inspraak was slechts in beperkte mate een factor van belang. Het poldermodel kalfde steeds verder af in de jaren 2000. Het consultatieve Innovatieplatform van Balkenende II bestond uit overheid, wetenschap en bedrijfsleven. De vakbonden werden net als bij de Wagner-commissie slechts indirect betrokken. Kortgezegd kwam inputlegitimiteit dus impliciet via de kiezer en expliciet door beleidsmakers en het bedrijfsleven tot stand. 

Qua output-legitimiteit zal het generieke beleid zeker bijgedragen hebben aan kennisontwikkeling, en hoeksteeninstrumenten als de WBSO en de Innovatiebox hebben ongetwijfeld innovaties in specifieke bedrijven ondersteund. Innovatie is belangrijk want het bevordert bedrijvigheid, schept banen en versterkt het verdienvermogen op lange termijn. Daaruit gedolven belastinginkomsten worden weer ingezet voor andere publieke voorzieningen en maatschappelijke doelen. Desalniettemin komt, net als bij RSV, de aloude en typische politieke economievraag ‘cui bono?’ op. Zo blijkt dat vooral de grotere bedrijven en veel minder het midden- en kleinbedrijf of startups van dergelijke regelingen profiteren.[xii] Dit terwijl met instrumenten als de WBSO en de Innovatiebox cumulatief miljarden aan belastingvoordelen zijn gemoeid en het beleidsdiscours zich juist op het midden- en kleinbedrijf richtte ter legitimering.[xiii]

Het punt is niet dat het gevoerde beleid per se verkeerd was, wel dat met een sterkere inbedding van inspraak én betrokkenheid van burgers en belangenbehartigers, anders dan van met name (grote) werkgevers, er andere keuzes of prioriteringen gemaakt hadden kunnen worden. Met een andere organisatie van input-legitimiteit komt er aannemelijk ook een andere organisatie van output-legitimiteit tot stand. Er waren, en zijn, alternatieven voor ons investerings- en groeibeleid. Uiteindelijk gaat dit over de bredere kernvraag hoe we onze economie en daarmee de samenleving willen inrichten. 

Denk bijvoorbeeld aan hoogwaardig regionaal ontwikkelingsbeleid om niet-Randstedelijke regio’s te ondersteunen, wat lang is uitgebleven. Of een andere organisatie van de landbouw, een kleine zij het competitieve sector, maar met groot landgebruik en een grote ecologische voetafdruk. Of denk aan investeringsbeleid in de bouw of maakindustrie wat vooral praktische en technische opgeleiden en woningbehoeftigen ten goede komt. Of denk, ten slotte, aan hernieuwbare energieopwekking waar Nederland lang een Europees buitenbeentje op geweest is.

Meer recent is precies dat gebeurd: ander beleid vanwege andere ideeën en voorkeuren. Door de financieel-economische crisis werden materiële zaken weer electoraal belangrijk en ontstond er onder beleidsmakers en politici een herijking van het marktdenken. De excessieve bonuscultuur bij banken, maar ook de huidige problematiek in de (sociale) woningmarkt en de gestegen aandacht voor bestaanszekerheid, worden vaker benaderd vanuit een dergelijke kritiek. De staat zou vaker, zo luidt het, de regie moeten pakken en bredere maatschappelijke belangen moeten dienen met het economische beleid. Tel hierbij op de noodzaak om de klimaatverandering aan te pakken en de interventionistische overheid kwam warempel stukje bij beetje terug. Recente overwegingen over ‘strategische autonomie’ in het kader van geopolitieke spanningen en de gebleken gebrekkige zelfvoorzienendheid tijdens de covidcrisis deden hier nog eens een schepje bovenop. 

Na de financiële crisis gaf klimaatverandering de belangrijkste zet tot meer interventie. De kabinetten-Rutte III en IV legden zich actief toe op de vergroening van de economie en de samenleving. Er kwamen een nationale CO2-heffing, infrastructurele projecten waaronder wind op zee, het bevorderen van elektrisch rijden, innovatieprojecten zoals voor waterstof et cetera; allemaal ongekende initiatieven van groen industrieel beleid om de hoge klimaatambities waar te maken. 

De overheid ging zich zelfs weer direct met de industrie bemoeien, dit keer via op voorwaarden en wederkerigheid gebaseerde maatwerkafspraken, om de industrie te dwingen en te ondersteunen CO2-neutraal te produceren.[xiv] Voor de financiering van verschillende beleidsonderdelen werd het Klimaatfonds (2023) opgericht, van totaal € 26 mrd. Naast klimaatbeleid veranderde ook het algemene investeringsbeleid voor innovatie. Gebruikmakend van negatieve rentes op staatsobligaties werden in 2020 het Groeifonds van € 20 mrd en Invest-NL van circa € 1 mrd opgericht, om een investeringsimpuls aan innovatie te geven en daarmee het nationale verdienvermogen te versterken. Vanuit het perspectief van missie-georiënteerd beleid (Mariana Mazzucato) ging de overheid zich met deze klimaat- en innovatiefondsen dus ook actief richten op het realiseren van brede maatschappelijke doelen. 

De representatieve democratie heeft effect gehad. Mede onder druk van de kiezer, voor wie klimaatverandering steeds belangrijker werd, kwam er schot in het nogal achtergebleven klimaatbeleid. Ook het pluralisme was van groot belang. Het Energieakkoord (2013) en vervolgens het Klimaatakkoord (2019) kwamen tot stand via ‘klimaattafels’, waar anders dan voorheen ook niet-neocorporatistische belangengroepen zoals de milieubeweging aan deelnamen. Die milieubeweging was bijvoorbeeld belangrijk in het doordrukken van de CO2-heffing. Naar aanleiding van deze tafelaanpak is er zelfs een Klimaatberaad (2021) gekomen, waarin burgers in participatieve democratische vorm de regering over nieuwe beleidsmogelijkheden adviseren. Het lijkt erop dat er niet alleen een broodnodige beleidsomwenteling kwam, maar ook dat de democratie in velerlei en soms relatief ongebruikelijke vormen in positieve zin hieraan heeft bijgedragen. Het beleid zou hiermee meer legitiem moeten zijn. 

Maar natuurlijk zijn er schaduwkanten. Neem het veel bekritiseerde Groeifonds. Gebrekkig inzicht in keuzes voor investeringsprojecten en de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid van investeringen die bij het kabinet lag, beperkten verschillende aspecten van input- en throughput-legitimiteit. Ook werd de output-legitimiteit van bepaalde investeringen betwijfeld. Erger nog, ‘het Graaifonds’ werd deels door perverse electorale prikkels ingezet voor heel andere doeleinden. Het Groeifonds werd uiteindelijk voortijdig uitgefaseerd, ondanks het aanhoudende gebrek aan investeringen en productiviteitsgroei. Het hoeft niet te verbazen dat het bedrijfsleven dit betreurt. 

Om consistent langetermijnbeleid en daarmee output-legitimiteit te waarborgen zou bijvoorbeeld de mogelijkheid onderzocht kunnen worden van een publieke ontwikkelings- of investeringsbank, die onafhankelijk opereert, maar met expliciete democratische inspraak en controle, in representatieve of participatieve democratievorm. Het laatste kan bijdragen aan de actieve betrokkenheid van burgers bij de hierboven opgeworpen kernvraag: wat voor economie willen we en dus welke activiteiten en sectoren negeren of stimuleren we? 

Ook dienen er lessen uit het Klimaatberaad en vergelijkbare lokale initiatieven getrokken te worden. De positieve effecten daarvan, op iedere vorm van legitimiteit, zijn inspirerend, al moet wel bedacht worden hoe nadelen als de selectiebias van deelnemers te voorkomen. Ook uiteenlopende, soms fundamenteel tegenovergestelde maar evengoed legitieme belangen van burgers blijven een heikel punt bij dit soort beraden. Stel je een beraad voor met omwonenden en medewerkers van Tata Steel, of een beraad over het beprijzen van particuliere CO2-uitstoot gevoerd door hoge en lage inkomensgroepen. 

Ten slotte, om output-legitiem beleid te hebben moet er bovendien veel meer bureaucratische capaciteit opgebouwd worden. Het verwijt dat de diepgaande expertise van bedrijfstakken en technologie bij het ministerie van Economische Zaken verminderd is door een personeelsbeleid gericht op het werven van generalisten, moet serieus genomen worden.[xv] Dit speelt onder andere als serieus kritiekpunt bij de maatwerkafspraken met de industrie, wat het risico op suboptimaal beleid, of erger, corporate capture kan vergroten.[xvi] 

Vergelijkbare kritiek geldt voor de volgens new public management-lijnen georganiseerde ambtelijke organisatie die vooral gericht is op efficiëntie. Het is nodig de in de afgelopen decennia geërodeerde staatscapaciteit te herstellen om een effectief industrieel beleid te kunnen uitvoeren, eventueel kan dit zelfs via staatsdeelnemingen gebeuren. Dit geldt overigens voor veel ontwikkelde economieën.[xvii] Zonder capaciteit, geen legitimiteit. 

Wat voor economie willen we?

Wat ik in dit essay heb laten zien is dat de representatieve, pluralistische/neocorporatistische en directe democratie elk op verschillende manieren belangrijk zijn geweest en elk specifieke voor- en nadelen hebben wat betreft legitimiteit. Bovendien, de specifieke democratische invulling van input- en throughput-legitimiteit heeft effect op output-legitimiteit: van de ontoereikende rol van de Tweede Kamer en de overmatige polderorganisatie bij de misère van RSV tot het ongecontroleerde en deels misbruikte Groeifonds. In de afgelopen decennia leidde het uit het publieke oog geraakte generieke innovatiebeleid met name tot voordelen voor het (grote) bedrijfsleven en bleven andere legitieme doelen zoals groene groei achter. 

De huidige tijd vraagt luid om een politiek antwoord op de kernvraag wat voor economie we willen en hoe we onze beleidsvorming daarvoor inrichten. Dat is zeker acuut gezien de directe en financieel zware interventies van de laatste twee kabinetten-Rutte en de nijpende uitdagingen op het gebied van digitalisering, productiviteit, stikstof, duurzame energie, woningbouw en defensie. De antwoorden op de vragen welke maatschappelijke doelen prioriteit krijgen en hoe brede welvaart gewaarborgd wordt, zijn deels afhankelijk van de manier waarop democratische inspraak, controle en beleidsresultaat georganiseerd worden. Het recente verleden laat zien dat die inrichting belangrijke gevolgen heeft. Wat openstaat is hoe het publieke debat hiermee omgaat. 

Noten

[i] Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 17817, nr. 16, p.456
[ii] Tweede Kamer, vergaderjaar 1984, pp.456-461.
[iii] Voor meer informatie over enge (i.e. beleid voor industriële bedrijven en sectoren) en brede (i.e. investerings- en groeibeleid) definities van industriebeleid, zie bijvoorbeeld Warwick, K. (2013). Beyond Industrial Policy: Emerging Issues and New Trends. OECD Science, Technology and Industry Policy Papers, no. 2, OECD Publishing, Parijs.
[iv] Scharpf, F. (1999). Governing in Europe: Effective and democratic? Oxford University Press; Schmidt, V. A. (2013). Democracy and legitimacy in the European Union revisited: Input, output and ‘throughput’. Political studies, 61(1), 2-22.
[v] Tweede Kamer, vergaderjaar 1984, pp.456-458.
[vi] Tweede Kamer, vergaderjaar 1984, p. 459.
[vii] Zie bijvoorbeeld: Historisch Nieuwsblad (22 februari 2022). De moeder van alle parlementaire enquêtes
[viii] Warwick (2013) op.cit.
[ix] Velzing, E.-J. (2013). Innovatiepolitiek: Een reconstructie van het innovatiebeleid van het ministerie van Economische Zaken van 1976 tot en met 2010. Thesis, University of Amsterdam.
[x] Mellink, B., Oudenampsen, M., & Woltring, N. (2022). Neoliberalisme: een Nederlandse geschiedenis. Amsterdam: Boom.
[xi] Becker, U. (2005). An example of competitive corporatism? The Dutch political economy 1983–2004 in critical examination. Journal of European Public Policy, 12(6), 1078-1102.
[xii] Zie bijvoorbeeld Van Hoorn, L., Kranendonk, E., & De Mol van Otterloo, S. (2021). Belastingvoordeel innovatiebox gaat steeds meer naar ‘grootverbruikers’. ESB Kort. 
[xiii] Schmitz, L. & Simons, J.P. (2024). Poldering to Proactivity: Explaining the Shift from Covert to Overt State Activist Industrial Policy in the Netherlands. Conference paper, CES Conference, Lyon. 
[xiv] Simons, J.P. & Bulfone, F. (forthcoming). Greening the Sunset: environmental commitments and neo-corporatist institutions as sources of state capacity for steel decarbonisation. Submission to special issue in Politics & Society.
[xv] Verbeek, J., van der Ven, C. & Woutersen, E. (2023). Lege glazen torens. Hoe het landsbestuur zijn eigen valkuil groef. De Groene Amsterdammer. 
[xvi] Simons & Bulfone (forthcoming). op.cit.
[xvii] Kapczynski, A., & Michaels, J. (2023). Administering a democratic industrial policy. Harvard Law & Policy Review, 18, 279–309.

Oorspronkelijk gepubliceerd door

Wiardi Beckman Stichting
    Democratisering van het Nederlands industriebeleid: een wereld te winnen, maar hoe?|Word vriend